VOORBEDE:
Poëzie, de schone kunst van het scheppen, het maken van beelden om te kunnen zien wat eerst nog verborgen was. Uit het schijnbare niets ‘iets’ spreek-woordelijk te binnen brengen, leven geven, bestaan, om zo, in een schrijvende daad, stof op papier te werpen, een oorzaak, een gevolg, een beweging. Poëzie schept een vindingrijk spel van eigenzinnige woorden, een dans van gonzende muggen rond een vlam, om tere plekken aan te prikken, te benoemen wat onbenoembaar is.
Geef ons weer de kracht van poëzie!… Om te bekoren, te ontroeren, te verrassen, maar ook om te noemen, te wrikken en te wreken. Een gedicht kan zoveel meer omvatten dan een schoon en klankvol woordstuk alleen. Een gedicht kan een vuurpijl zijn, ontstoken in brandend licht van taal. Een gedicht kan een ruiter zijn, een onbekende ridder, een paladijn van weet-ik-veel, een boodschapper, een wreker langs de weg. Een gedicht kan een lans zijn die gebroken wordt op de schubben van de tijd, om te vernieuwen, om te groeien naar het onverhoopte licht. Een gedicht kan een strijdroep zijn, een machtig woord dat wordt aangewakkerd door bijzondere eigenschappen en mogelijkheden binnen de taal: metrum, rijm, beeldspraak. Het zijn immers deze eigenschappen die elke taal dankt aan het leven zelf. Taal is een schepping en een spiegel in de mens. Een gedicht is daarom ook een spiegelbeeld van wat diep in mij gevoeld en verstaan werd van het gesprek tussen twee: ziel en zijn. Een gedicht kan een aanzet zijn, een menu, een program voor een komende tijd. Zij gaat dan, baanbrekend, als een danser de stoet vooruit, de tros, die immer aarzelt om te volgen. Poëzie dankt zijn diepste bron aan het zinrijke verband van een mystiek beleefde werkelijkheid, d.w.z. déze, onze wereld, die hoogstwaarschijnlijk iets totaal anders is dan wat een mens daar, met al zijn wijsheid, van denkt te begrijpen.
Goede God, waar is de tijd gebleven toen de dichters nog zongen en hun strofen zo dikwijls vóór in de mond lagen van eenvoudige, maar bezielde mensen. Poëzie als een wakend en wekkend woord, brandend op de tong, geschikt om voorop te gaan in de oude strijd tegen het onterende, het onwaardige: de nivellering van het menselijk bestaan. Een gedicht is voor mij vooral een rapsodie van stemmingen, impressies en gedachten, een verbale krachtmeting met het onbenoembare, de ongrijpbaarheid van het bestaan, waarbij klankenspel, ritmiek en schoonheid als vanzelf mee-celebreren en spontaan verschijnen als manifestaties van rationele bescheidenheid, als eerbewijzen, tekens van hoogachting, als gaven van de Onnoemelijke Zelf.
Met mijn pen neem ik mijzelf en mijn tijd ter hand. Daarom BIDDEN & WREKEN, werken aan een nieuwe tijd, dichten om open te gaan en daarna … op weg.
Robert la Boresa.
Apeldoorn, 1996