mij dorst

niet om
wat ik heb
en niet om
wat ik ben
maar
in het wisselend
werken
tussen mij
en Hem
word ik
zo levend
word ik
zo stil
en doe ik
denk ik
wat Hij
zo nodig
van mij
wil

niet om
opzien te baren
en niet om
een gevleugeld woord
maar om
een zin
te spreken
die
in de hemel
werd geboren
en hier
op aarde
wordt gehoord
zo wil ik
dat mijn lied
zal klinken
zo wil ik
in mijn dichten
voort

waardoor
misschien
verstoorde stilte
toch nog
door een kleine spatie
wordt doorboord
en uit
een ongeschonden verte
als een lichtspoor
nieuwe morgen
nadert
nieuwe gratie
gloort
en zonder staatsie
God van eeuwen
mij verwondert
daar Hij
Die dorst
weer honger
in mij
hoort